*
****************
*****************

REGIE:
Steve Miner


*********


MET:
William Katt (Roger Cobb)

George Wendt (Harold)

Richard Moll (Big Ben)

*********


USA / 1986 / 93 MIN.
*********


Verdeler:
New World Pictures

Mijn thouse is waar mijn house staat

We hebben in onze horrorrubriek het al gehad over Poltergeist en The House On Terror Tract en ook nu blijven we in hetzelfde subgenre van 'help, het spookt hier in mijn huis' waarbij de makers van de film niet zoveel moeite hebben gedaan om hun eindresultaat een originele naam mee te geven. Neen, House was voldoende als titel (naar de videorelease toe heeft men hem echter wel uitgebreid naar 'House: Ding Dong, You're Dead'). Tevens zou ik na het zien van de film een nieuw subgenre willen invoegen, namelijk het huror-genre, komische horror zeg maar. Want alhoewel House zijn schrikwekkende momenten heeft met, ondanks het nederige budget van 3 miljoen dollar, geslaagde special-effects worden deze op gepaste wijze afgewisseld met, en dit wordt altijd geapprecieerd in het horrorgenre tout court, humoristische fragmenten die hier zelfs op de rand staan van het parodiërende.

Uiteraard geen House zonder huis. Hiervoor zijn de cast en crew uitgeweken naar het in 1887 in Victoriaanse stijl door de firma Blair and Zimmerman gebouwde herenhuis. Door het camera met perspectiefgebruik, de aan of uitgaande lichten in de vele kamers, en de bijhorende kloosterlijke pianomuziek krijgt dit huis zijn aandacht verdienende akelige karakter. Ok, het is niet zo imposant als in De Bont's The Haunting maar die toonde juist aan dat een te bombastische impressie een averechts effect kan hebben. Wie woont erin, vraagt u zich af? Indien niet, geef ik u toch het antwoord. Het is een kierewiete oma die met haar kijk-eens-hoe-weinig-tanden-ik-heb-aangezicht, toont dat niet alleen geesten een schrikwekkend effect kunnen hebben. Maar haar seniele gedrag blijkt niet op Lombrosiaanse wijze (een instincter voor criminologen ter lande) aangeboren te zijn, maar zou het resultaat zijn van het huis. Uiteindelijk kan ze er niet meer tegen en hangt ze zichzelf op. Aldus dat is haar verhaal tegen haar neef Roger Cobb in een al dan niet zijnde visioen van hem die zijn optrek zal nemen in het huis.

Cobb is een zeer bekend, beroemd en geliefd horrorschrijver die echter door een moeilijke tijd gaat. Want niet alleen is zijn geliefde tante overleden (die toeval of niet, ik weet het niet, de achternaam heeft meegekregen van Hooper, jawel die van de Texas Chain Saw Massacre) maar eveneens scheidt zijn vrouw Sandy (door - met een typische jaren '80 afschuwelijke kapsellook (moeten er nog krullen zijn?) dragende - Kay Lenz vertolkt), een Hollywoodse actrice, van hem; hun zoon is op onverklaarbare wijze verdwenen, zijn verkoopcijfers zijn gedaald met vooral nog enkel idiote nerds die zijn boek willen gesigneerd zien en tot slot sukkelt hij ook nog met een writer's block van jewelste wanneer hij aan zijn nieuwste werk wilt beginnen, een persoonlijk relaas over de Viëtnam-war. Hij wil dus tot rust komen en daarom bewoont hij zijn tantes herenhuis (waarom bestaan er eigenlijk geen dameshuizen vraag ik mij nu op onverklaarbare feministische wijze plotseling af).

Aldaar aangekomen pulken zijn ogen al uit op een sportieve met zandlopercurves voorziene babe (met typisch eveneens jaren '80 badpak; hopelijk komen deze niet meer terug en aldus diende ik me tevreden te stellen met de gedachte wat er zich daaronder bevond) maar zijn genietende blik wordt aldra gestoord door de verwelkomingsgroet van zijn nieuwsgierige buur Harold (George Wendt, samen met John Goodman het prototype van de gezellige dikkerd) die zijn woorden wat beter had moeten wikken: "Great to have a new neighbor. The woman that lived here before you was nuts. Biggest bitch under the sun. Just a senile old hag really. Wouldn't be surprised if someone got fed up and offed her. Know what I mean?" Het nieuws ontvangende dat deze dame Roger's tante is, verbeterd hij zich met "Heart of gold though … just a saint really … and such a beautiful woman for her age." De grappige ondertoon in de film is van start gegaan.

Met klammende handen probeert hij zijn Viëtnam-relaas te doen (op zo'n typische jaren '80 visueel onaantrekkelijke computer), wat te kijker in een droomrelaas te zien krijgt. Vooral de band met collega-soldaat Big Ben (een rol voor Richard Moll, die zou kunnen doorgaan als de oudere broer van Steven - help ik kan niet meer in een A-film spelen maar desondanks toch nog één van mijn geliefde acteurs blijft en hou u lach in - Seagal) krijgt hierbij de aandacht. Deze Nam-tussendoortjes zijn slechter dan alle b-films ooit gemaakt over de door de Amerikanen verloren oorlog maar dit is juist de bedoeling. Het is zo ongeloofwaardig, zo gemaakt, zo varendecorachtig als maar zijn kan dat dit juist een interessant parodiërend effect heeft op films als bijvoorbeeld Platoon (van datzelfde jaar) en uiteraard (ver voor Hot Shots Part Deux) Rambo: First Blood II. Maar onze Roger wordt steeds uit zijn concentratie gebracht door allerlei geheimzinnige geluiden en hij trekt dan ook op onderzoek uit en ontdekt dat bij klokslag twaalf uur er een reus- en B-Alienachtig langpotig monster zich in een kast verschuild (dat hij steevast met zijn Minolta-apparaat tracht te fotograferen). Tevens duiken er Miss Piggy-achtige kleverige flapdrollen op vergezeld van zich tot levend gewekte gereedschapsmaterialen (stuntelig maar toch knap gedaan). Omdat hij ook de stem en beelden opvangt van zijn zoon is hij er heilig van overtuigd dat deze zich ergens in het huis bevindt.

Tussendoor krijgt hij steevast bezoek van zijn curieuze buur die de wens van Roger om alleen gelaten te worden om te kunnen schrijven opvat als "solitude's always better with somebody else around", van de bevallige overbuur Tanya die wenst dat Roger babysit op haar zoon en van de politie omdat Roger een schot had gelost (op een paars opgepoft rubberen slijmwezen). De grens tussen horror en humor (de kleverige hand op de rug van Tanya's zoon, het begraven van de lijkdelen (maar die toch nog spasmatisch van zich laten zien) van daarnet genoemd wezen,…) is nooit ver weg en maakt het aangenaam om te kijken. Naar het einde toe kom je dan te weten hoe de vork aan welke steel zit en krijg je een tweegevecht tussen Roger en een (ver voor Stephen Sommers' tijd mummygelijkend) skelet met als inzet de zoon van Roger.

Regisseur van dienst is voor horrorfreaks de niet onbekende Steve Miner die zijn carrière begon als editor voor die andere gereputeerde namen Wes Craven (dit was voor The Last House On The Left) en Sean S. Cunningham (deze regisseur van Friday The 13th treedt hier tevens op als producer). Hij zal zelf als regisseur mogen starten met het inblikken van de eerste twee sequels van Jason Voorhees' exploten. Daarna maakte hij dus voor New World Pictures (dat op horrorvlak o.a. ook Creepshow 2, Hellraiser 2 en Piranha tot stand bracht) House om in dat zelfde jaar eveneens nog een komedie te maken met B-acteur C. Thomas Howell en Leslie Nielsen, genaamd Soul Man. Daarna is enkel nog het Mel Gibson-vehikel Forever Young noemenswaardig en bestond zijn palmares vooral uit afleveringen van tv-series als Chicago Hope, Dawson's Creek, The Practice en Felicity. Gelukkig keert hij in 1998 terug naar het horrorvlak met het tegenvallende Halloween H20 (die hij zelf eerder ziet als Halloween 2). Tegenvallend en gelukkig, hoe kan dat? Omdat hij een jaar later opkomt met Lake Placid, een onderschatte en schaamtelijk (in naam van de distributiemaatschappijen) zelfs geen bioscoopaandacht krijgende onderwater horrorthriller met Bill Pullman en Bridget Fonda in de hoofdrollen. Films als The Faculty zouden er kopje onder voor moeten gaan.

Voor het scenario was dan ook weer geen onbekende aan het woord, namelijk Fred Dekker, regisseur van de perfect op die tijd inspelende horrortrendfilms als Night Of The Creeps en The Monster Squad. Tevens zal hij een episode inblikken van Tales From The Crypt, een reeks van afleveringen waaraan ook Richard Donner, Walter Hill en Robert Zemeckis hun bijdrage hebben geleverd. Daarna is enkel nog god vergeve het hem Robocop 3 zijn laatste wapenregiefeit. Dekker kreeg schrijfhulp van Ethan Wiley die een jaar later zelf de regie op zich zou nemen voor de sequel House 2: The Second Story (u merkt, men blijft bijster origineel met het vinden van filmtitels; ter vervollediging dien ik te melden dat er nog twee officiële sequels zijn met in 1989 The Horror Show (met Lance Henriksen en Brion James) en in 1992 (jawel, ook weer origineel) House 4). Met enkel nog Children Of The Corn 5 in 1998 is zijn palmares tamelijk bleek.

De tegelijkertijd naar inspiratie zoekende en tegen rubberen demonen en granaatbevattende skeletten vechtende met een onschuldige kinderblik in de ogen hebbende Roger Cobb wordt vertolkt door William Katt die voordien (dit is tien jaar eerder) al bij het grote publiek gekend was als de vriend van Sissy Spacek in De Palma's Carrie. Verwacht van hem echter geen andere uitschieters want (vooral) door de flop van Butch And Sundance: The Early Days (met Tom Berenger) is hij steeds verwezen geworden naar het straight to video-circuit. Neen, dan is de carrière van zijn buur in de film iets beter geweest. Want onmiddellijk zal je hem herkennen als één van de Cheers-personages (Norm Peterson) waarvoor hij zes jaar na elkaar (van 1984 tot 1989) een Emmy Award-nominatie in de wacht sleepte (een andere Cheers kompaan, John Ratzenberger, zal aantreden in de House-sequel). Alweer dus eenzelfde vaststelling bij zovele horrorfilms: ze bevatten vooral (al dan niet debuterende) B- en tvserie-acteurs maar eenzelfde andere vaststelling: dit komt de film meestal ten goede.

Verwacht van House geen topper en geen moderne horror maar een degelijke vrijdagavond lekker languit in de zetel wegzakkende film die u niet constant op de nagels doet bijten maar zelfs af en toe eens aan het parodiërend lachen doet brengen. Een humoristisch uitstapje in het horrorgenre moet af en toe ook eens kunnen, niet?

Bruno Pletinck