*
****************
**************

REGIE:
Prachya Pinkaew


*********


MET:
Panom Yeerum als Tony Jaa (Ting)

Petchtai Wonkamlao (George/Humlae)

Pumwaree Yodkamol (Muaylek)

Pumwaree Yodkamol (Muaylek)

*********


Thailand / 2004 / 105 MIN.
*********


Verdeler:
Cineart

Jaa Jaa, daar is Tony

Een Thaise volbloedfilm in onze cinemazalen, het is haast even zeldzaam als een niet nerveuze Almodovarfilm zonder heroïnespuitende travestieten of kwebbelende u een zenuwinzinking bezorgende lellebellen. Niettemin hebben we het al eens meegemaakt toen in 2000 Tears Of The Black Tiger als een excentrieke cultwesternparodie kwam overwaaien. Ondertussen hebben Thaise producties zich ingemengd met In The Mood For Love, The Eye, hebben ze samengewerkt met Francis Ford Coppola (Suriyothai) en weten ze zich meer en meer internationaal te profileren en spelen ze in op de kijkersmarkt. Omdat recent het betere hakwerk - Kill Bill vol 1., Kill Bill vol 2., Hero, Zatoichi - werd geprezen, brengen ze hun eigen martial art pelliculevehikel uit dat gebaseerd is op de Muay Thai, de wetenschap van de acht ledematen waarbij naast het gebruikelijke handen- en voetenwerk eveneens het knieën- en ellebogenwerk aan bod komt, u normaliter aangeleerd door een Boeddhistische monnik met leuke gevechtsposes ('standjes' zou u op verkeerde gedachten doen brengen) zoals daar zijn Bird Peeping Through the Nest, Rama Pulls the Arrow String, Mountain Overturns Earth, Break the Elephant's Neck and Monk Follower Sweep the Floor.

U krijgt ze allemaal te bewonderen in Ong-Bak met ene Panom Yeerum (Tony Jaa voor de vrienden) die u overdonderd, overweldigd en de adem ontneemt met zijn lenigheid, explosiviteit, kracht en techniek en een Jean-Claude Van Damme of Jackie Chan in het niets doen wegkwijnen van jaloezie. Nu nog Uma Thurman's Kill Bill kostuum aan en de nieuwe Bruce Lee is definitief gearriveerd.

De film opent cartoonesk met een groepje jongeren die op competitiejacht gaan naar een vlag hangend aan de top van een fameuze boom en de winnaar zich de uitverkorene van het dorp mag noemen voor het volgende kwartaal van de eeuw, hierin gesteund door het goedkeurende oog van Boeddha himselve. Nadat heel wat jongeren uit de boom tuimelen of getuimeld worden, lukt Ting het om de vlag op de begane grond te brengen. Hij staat dan ook centraal in de één week durende ceremonie waarbij het plaatselijke Boeddhistische beeld (Ong-Bak) geëerd wordt omdat het de bewoners van het plattelandsdorpje Nong Pradu geluk, voorspoed en bescherming zou brengen. Echter een uitgeweken stedeling, Don, steelt het hoofd van het beeld waardoor de leefbaarheid van het dorpje in gevaar wordt gebracht. Ting, door monniken volleerd in het dodelijke Muay Thai, moet naar de stad toe om het hoofd terug te brengen. Hij ontmoet er ex-dorpeling Humlae die zich nu inlaat met gokken en kansspelen en zijn mooie partner in crime Muaylek. Humlae, nu George genaamd, steelt het weinige geld van Ting, die in de badkamer was ("en jezelf niet aftrekken daarbinnen, anders glijden we straks uit"), om het te vergokken in de illegale gevechtstent van maffiabaas Ngai, een rolstoelgebonden dwarslaesiepatiënt met een tracheotomieholte in de hals om te kunnen roken en zich verstaanbaar maakt met de hulp van een Stephen Hawkins-batterijzoemer (het zou u niet verwonderen zeker dat deze het hoofd van Ong-Bak heeft). Ting achtervolgt George en per toeval wandelt hij letterlijk zelf in de ring om er oog in oog te staan met straffe bink Pearl Harbour. Originaliteit volgt. In plaats van het eerste serieuze gevecht op touwen te zetten, schakelt Ting zijn tegenstander uit met één enkele beenslag ter hoogte van de nek. Bam, einde gevecht, verbazing en stilte alom. George is plotseling wel geïnteresseerd in Ting want hij ruikt natuurlijk het grote gokgeld.

De eerste twintig minuten zijn zo gepasseerd waarin er eigenlijk nog niet zoveel te beleven viel. Maar onze George heeft nog wat gokschulden af te betalen en wordt dan ook op de hielen gezeten door straatbendes. Het hek is van de dam, de echte gevechtsexplosie kan beginnen. Wat Jaa allemaal uit zijn botten slaat, het is naar het ongelooflijke toe. Hij vliegt van links naar rechts, walst over auto's, zoeft onder vrachtwagens, springt met benen in spreidstand over punthekkens, koprolt in de lucht over kokende wokken, wringt zijn ledematen in alle denkbare en ondenkbare houdingen en wanneer hij dan toch eens wordt ingesloten door een groepje omhooggevallen knuppelgrage dealeradolescenten ontwijkt hij hen simpelweg door op hun schouders te jumpen en er vandoor te gaan al lopende op hun hoofdknikkers. O ja, moest het voorvallen dat u een stunt gemist zou hebben, geen nood, de film brengt u voetbalgewijs meestal ten minste twee kansen om hem opnieuw te zien, hetzij in slow-motion, hetzij vanuit verschillende invalshoeken waarbij dan onmiddellijk opvalt dat er hier helemaal geen touwwerk aan te pas komt, noch trampolinewerk, noch digitaal gomwerk, noch CGI, enzovoort.

Wat u te zien krijgt, is dan ook niet zozeer een (scenario)film maar veeleer een opeenstapeling van energieke stunts en gevechtskunsten (topper: Ting die een bad guy uit een dubbel spiegelglasraam kickt en hem achterna jumpt en hem in vrije val nog enkele afrossingen geeft ter hoogte van de borststreek of ook nog de scène waarin hij vecht met zijn benen in lichterlaaie of ook nog …), af en toe eens afgewisseld met wat pardodiehumor op het genre (George die een schurk van zijn motorfiets tackelt en hem begint af te tuigen maar dan de fout maakt door op zijn helm te kloppen; ook is er nog een vernieuwende Taxi-achtervolging met driewielerwagentjes (!) die allesbehalve stabiel zijn bij het nemen van scherpe bochten).

Het is absoluut niet overdreven wanneer gezegd wordt dat deze Ong-Bak de meest stuntgevaarlijke en botbrekende gevechtsscènes bevat waardoor zelfs de Hong-Kongfilms het schaamrood op hun wangen krijgen. Echter, a fortiori moeten we wel stellen dat deze film enkel is weggelegd voor de trouwe schare gevechtsfilmfans. Wie kickte op Van Damme, Chan, Li, Lee zal hier een zeer smakelijke en vette kluif aan hebben en zal vol ongeduld watertandend zitten wachten op de geplande sequel. Anderen zullen hier niks maar dan ook totaal niks aan hebben en zullen knarsetandend wachten op de ending credtis.

Wie heeft voor dit vehikel gezorgd? Ene Prachya Pinkaew, een wat eigenzinnige producer die in die functie al op de proppen kwam met een Final Destination-achtige horrorfilm, een vampierenfilm en een, van uitersten gesproken, sing-along musical. En nu dus komt hij in zijn regiedebuut op de proppen met een authentieke zonder touwen martial art film (beat that bro's Wachowski). Eén ding kunnen we met zekerheid zeggen, naar de vertolkingen heeft hij niet echt omgekeken, de gevechten stonden centraal. Tony Jaa, die de combinatie bevat van de gratie en lenigheid van Jackie Chan en de 'touch me and I'll kill you' présence van een Jet Li, hoeft dan ook niet teveel te zeggen. Petchtai Wonkamlao als George slaagt erin om wat humor in de film te brengen maar net zoals de meeste andere acteurs is dit hun eerste project waardoor je de onervarenheid wel merkt.

Conclusie. Ong-Bak is adembenemend in zijn martial art genre. Al wie daar niet van houdt, laat hem links liggen. Anderen zullen een hypersnelle opeenstapeling krijgen van sensatievolle haast nooit geziene kicks en stunts, bottenkrakende gevechtsexplosies en komische driewielerTaxi-achtervolgingen die allen, ondanks het lage budget van 650.000 dollar, in hun genre professioneel met de camera gevat zijn en op het Toronto Inernational Film Festival een staande ovatie meekreeg. Enkel spijtig dat naar het einde toe een soort van Wrong Bet gevoel naar boven komt maar laat dat de pret niet bederven. Hoedt u er echter voor dat u zich na de vertoning onder controle houdt, dat u zelf niet de bioscoopzaal begint af te breken.

Bruno Pletinck