Homepage filmsalon
****************
RAY HARRYHAUSEN

RAY HARRYHAUSEN: TOVENAAR VAN HET WITTE DOEK

Lang voordat George Lucas met computeranimatie de filmische speciale effecten een nieuw tijdperk inloodste, bestonden er reeds specialisten die een heel eigen stempel drukten op de filmgeschiedenis. In de allereerste plaats was er de Fransman Georges Méliès (1861-1938), die reeds vóór 1900 korte films maakte waarvan de effecten de toenmalige filmkijker met verstomming deed staan. In Amerika was er Willis O'Brien (1886-1962), die in 1914 zowat de eerste, natuurlijk bewegende, dino op het witte doek toverde in The Dinosaur and the Missing Link. O'Brien zou uitgroeien tot de eerste specialist in het genre, met legendarische titels op zijn actief als The Lost World (1925), The Last Days of Pompeii (1935) en met als klapstuk natuurlijk het onsterfelijke King Kong (1933).

Het was deze film die het leven veranderde van de dertienjarige Ray Harryhausen (1920). Wat O'Brien hier op het scherm toverde, deed Ray watertanden. Dit wou hij ook kunnen. Van zijn vader mocht hij de garage inrichten en amper 16 jaar begon hij aan een ambitieus 16mm project, Evolution. Ook al werkte hij met zeer beperkte middelen, toch bleek toen al dat hij een meester zou worden van de 'stop motion-special effects'. Dit wil zeggen dat hij beeld voor beeld filmde en telkens zijn onderwerp een klein beetje wijzigde. Bij het projecteren kreeg de kijker dan het idee van beweging. Vermits film door de projector loopt met een snelheid van 24 beelden per seconde, moest hij ook 24 bewegingen uitvoeren voor één seconde film. Evolution heeft hij nooit afgewerkt, maar het werd zijn visitekaartje en er bestaan vandaag nog steeds fragmenten van.

Eind jaren 1930 werd de vrijetijdsbesteding van Ray opgemerkt door George Pal, die hem onmiddellijk aanwierf voor zijn poppenreeks Puppettoons. Deze samenwerking duurde tot Amerika betrokken raakte bij WOII. Ray kreeg bij het leger de leiding over een filmploeg die didactisch materiaal filmde om strategieën te ontwerpen. Deze films werden in 3D-animatie opgenomen. Na de oorlog begon hij zelf een reeks 10-minuten filmpjes te maken in de reeks Nursery Rhymes, sprookjes waarin de personages door poppen gespeeld werden.

Zijn grote droom kwam uit toen zijn mentor, Willis O'Brien, hem op een dag in 1946 opbelde met de vraag of hij hem wou assisteren bij een nieuw project, dat een opvolger moest worden van King Kong. Daar moest Ray geen ogenblik over nadenken. Werken met O'Brien, daar had hij alles voor over. Mighty Joe Young (1949), een King Kong-cloon, werd geen kritisch succes, maar het publiek liep storm voor deze geschiedenis van een gorilla die uitgroeit tot gigantische proporties en paniek veroorzaakt in een grootstad. O'Brien kreeg terecht een Oscar voor de effecten, maar, volgens Ray, werd die zo in beslag genomen door productieproblemen dat hij zelf haast 85% van de effecten moest uitwerken.

Het was op aanraden van zijn vriend Ray Bradbury dat de producenten van The Beast from 20.000 (1953) op hem beroep deden voor de effecten. Vermits hij met een extra low-budget diende te werken, ging Ray op zoek naar revolutionaire, goedkope systemen om het zeemonster tot leven te brengen. Zo ontwikkelde hij een vereenvoudigd systeem om geanimeerde modellen te combineren met 'levende achtergronden'. Ook al was 1953 het jaar dat kleinere films een ongelijke strijd moesten leveren tegen de concurrentie van 3D en Cinemascope toch werd The Beast één van de grote kassuccessen van het jaar. Naar verluidt zou deze film dé inspiratiebron geweest zijn van Inoshiro Honda voor zijn Godzilla.

Hij had nu genoeg geld bij elkaar om een vijfde aflevering te maken van zijn Nursery Rhymes, maar het toeval veranderde nogmaals zijn leven. Via een oude vriend van het leger kwam hij in contact met de jonge producent Charles H. Schneer (1920). Het werd het begin van een associatie die bijna 30 jaar zou duren, beginnende met It Came from Beneath the Sea (1955) over een reuzenoctopus die, wegens het lage budget, maar zes armen had (wat door niemand werd opgemerkt). Earth vs. The Flying Saucers (1956) leverde wat de titel beloofde, een 'hot item' in die tijd. Ray sloeg erin om Washington te vernietigen, met de brokstukken in miniatuur aan onzichtbare draden. Dit alles opgenomen met 'stop motion'. Na een minder succesvol avontuur met Irwin Allen, het semi-documentaire The Animal World (1957), trok Ray, samen met Schneer en regisseur Nathan Juran naar Italië voor 20 Million Miles to Earth (1957), waarvoor hij de Ymir ontwierp, een wezen dat door een expeditie naar Venus meegebracht wordt naar de aarde. Onder invloed van onze atmosfeer groeit het uit tot een groots monster, dat voor de verandering Rome in puin legt.

Ray en Schneer besloten hun basis in Europa uit te bouwen. Het was goedkoper werken en ze konden de vakbondseisen in eigen land omzeilen. Ray ontwikkelde een systeem dat hij 'Dynamation' zou dopen. Hierdoor was hij in de mogelijkheid om in kleur te werken, ook al bleef zijn techniek de 'stop motion'-animatie. The 7th Voyage of Sinbad (1958) was niet enkel een kaskraker, maar tevens de film die toonaangevend was voor een nieuwe generatie van F/X-specialisten. Hij liet Kathryn Grant verkleinen tot enkele centimeter. Daarnaast was er de gigantische cycloop en een vuurspuwende draak die in een spectaculair gevecht verwikkeld raken, de tweekoppige Roc, een reuzevogel uit de mythologie. Maar het hoogtepunt van de film werd een zwaardgevecht tussen Sinbad (Kerwin Mathews) en een geraamte, een complex werk dat verschillende maanden in beslag nam. De film betekende ook een eerste in een vruchtbare samenwerking met componist Bernard Herrmann, die tot 1963 alle films van Ray en Schneer van muziek bleef voorzien.

Vol zelfvertrouwen begonnen ze aan hun volgende projecten. The Three Worlds of Gulliver (1960), Mysterious Island (1961), Jason and the Argonauts (1963) en The First Men in the Moon (1963) volgden in een snel tempo, allen voorzien van vernieuwende speciale effecten en sympathieke en moorddadige monsters, met als absoluut hoogtepunt het duel van Jason en zijn maten met zeven skeletten, een fragment van enkele minuten waaraan vier maanden gewerkt werd. Schneer besloot op dat moment echter meer mainsteam-films produceren, waarin geen plaats was voor Ray.

Hij ging toen in op een aanbod van Michael Carreras om voor Hammer de voorhistorische monsters te creëren voor One Million Years B.C. (1967), om onmiddellijk daarop terug contact te zoeken met Schneer. Ray wou een oud scenario van Willis O'Brien verfilmen. O'Brien had The Valley of Gwangi geschreven in 1942 voor RKO, maar het project werd afgeschoten. In 1956 werd het al eens verfilmd als The Beast of Hollow Mountain, maar deze Amerikaans-Mexikaanse co-productie was ondermaats. In 1969 werd het licht dan op groen gezet voor Ray en hij maakte er een vreemde horror-western van, met enkele verbluffende effecten, maar minder interessant dan zijn mythologische films.

Gwangi werd niet bepaald een succes, dus besloten Ray en Schneer terug te grijpen naar de Sinbad-legende. In 1974 nam John Philip Law de rol van Kerwin Matthews over in The Golden Voyage of Sinbad, weer een feest van speciale effecten, met als hoogtepunten een vrouwelijk scheepsboegbeeld dat tot leven komt (ook al hadden moslims geen boegbeelden op hun schepen, maar dat kon de pret niet drukken) en een spectaculair duel van Sinbad met een zesarmig standbeeld. Het scenario was een herwerking van de originele film, maar regisseur Gordon Hessler bracht alles mooi in beeld, zodat zeker het jonge volkje wel plezier aan de film zou beleven. In 1977 volgde dan Sinbad and the Eye of the Tiger, in een regie van Sam Wanamaker en met Patrick Wayne in de Sinbad-rol. Er werden opnamen gemaakt over zowat de hele wereld van Jordanië (de rotsgraven van het oude Petra) tot bij de Picos de Europa (de gure hooglanden van de Spaanse Pyreneeën). Ray werkte haast anderhalf jaar aan de effecten, die dan ook verbijsterend waren met een voorhistorische Trog, de Walrus giganticus, een sabeltandtijger en een baviaan. Het scenario was echter weinig inventief en soms zelfs langdradig, wat dodelijk is voor dit filmgenre.

1977 was ook het jaar van Star Wars, wat een hele revolutie betekende in het wereldje van speciale effecten. Het handwerk van Ray Harryhausen werd veel sneller uitgevoerd op de computer en na nog één film, Clash of the Titans in 1981 (met de visualisering van de hele rij Griekse Goden), hielden Harryhausen en Schneer het voor bekeken. Hun tijdperk was voorbij. Maar Harryhausen laat een erfenis na van fantasie en illusie, gecombineerd met ongeëvenaard vakmanschap, raffinement en verbeeldingskracht. Dertig jaar lang stond hij aan de top van zijn specialiteit. Hij werd door tientallen F/X-mensen geïmiteerd. Computeranimatie kan misschien volmaakt zijn, maar nooit zal deze kunnen tippen aan het ongebreidelde talent van de meester, waarin de menselijke hand nog te herkennen is. In 1992 werd Ray Harryhausen eindelijk geëerd door de Academy Awards, die hem de Gordon E. Sawyer-Award toekenden voor Technical Achievement, een prijs die hij ontving uit handen van zijn levenslange vriend Ray Bradbury. Hij is nu 85, maar nog steeds bruist hij van het leven en onvermoeid wil hij zijn ervaringen overdragen naar een jonge generatie. Dat is iets dat geen enkele computer hem kan nadoen.

Willy Magiels