Homepage filmsalon
****************
ROGER CORMAN
DE MAN MET DUIZEND VISIES

1. Inleiding

Alvorens te starten met deze studie over een man die een ware legende werd in de Amerikaanse filmwereld van de tweede helft van de 20e eeuw, wil ik even duidelijk maken waarom ik een studie over deze cineast zo belangrijk vind.

In de eerste plaats is zijn werk eigenlijk nog steeds weinig bekend in onze contreien. Er werd al heel wat over hem geschreven, maar van de door hem gerealiseerde films werd minder dan 10 procent uitgebracht op video of DVD (in het Nederlandstalig gebied). Op amper 15 jaar tijd (van 1955 tot 1970) draaide hij niet minder als vijftig films (als regisseur), plus nog minstens evenveel als producent. Daarna legde hij zich vooral toe op productie. In die functie was hij nog eens verantwoordelijk voor meer dan tweehonderd films tot op de dag van vandaag. Bovendien verdeelde hij met zijn productiehuizen New World Pictures, New Horizons en Concorde, nog eens een honderdtal Europese films in Amerika. Zo groeide hij uit tot één van de meest invloedrijke personen in Hollywood.

Het is onbegonnen werk om het omvangrijke oeuvre van Roger Corman in ogenschouw te nemen in het bestek van een kort artikeltje in een magazine. Het bevat science fictionfilms, teenagerfilms, horror, westerns, rock-, oorlogs- en gangsterfilms, komedies en noem maar op. Maar buiten al deze genrefilms is er nog die éné rolprent waarin hij een pijnlijke boodschap bracht en die uitgroeide tot zijn (miskend) meesterwerk: The Intruder, die hij, samen met zijn broer Gene, volledig zelf financierde en waarmee hij, tijdens de productieperiode, heel wat moeilijkheden ondervond (van sabotage tot doodsbedreigingen) omdat hij deze scherpe aanklacht op het racisme op locatie, in het zuiden, wou opnemen. Het werd een van zijn enige films die flopten aan de kassa. Ondertussen is hij echter uitgegroeid tot een cultfilm in de States.

Ook als producent ontpopte Roger zich tot een unieke persoonlijkheid. Hij hielp jonge talenten aan het nodige geld om (goedkoop) hun filmdebuut te maken, in een sfeer van volledige vrijheid. Uit zijn school komen enkele zeer bekende regisseurs en acteurs zoals Francis Ford Coppola, Peter Bogdanovich, Martin Scorsese, Jonathan Demme, Joe Dante, Dennis Hopper, Jack Nicholson, Robert De Niro, Bruce Dern, Monte Hellman en Curtis Harrington.

Het is mijn bedoeling om in deze studie de plaats van Corman – vooral als regisseur - te schetsen in de hedendaagse filmwereld. Dit is eerst nu echt mogelijk, dank zij de komst van de DVD, want amper één derde van zijn films haalde ooit de Belgische bioscopen, maar ondertussen werd het leeuwendeel van zijn regiewerk (in Amerika) toch beschikbaar gesteld op DVD. Ik was persoonlijk één van de eerste verdedigers in ons land van Corman. In de jaren 1960, toen nog niemand hem kende, liet ik reeds verschillende artikels verschijnen, waarin ik het unieke talent van de man benadrukte. Het duurde dan nog meer dan tien jaar alvorens de eerste stukken over hem verschenen in gespecialiseerde tijdschriften.

a) Biografie

Roger Corman werd geboren te Detroit op 5 april 1926. In 1943 behaalde hij zijn diploma op de Beverly Hills High School, om dan de lessen te volgen van de Leland Stanford University, waar hij in 1947 gegradueerd werd als ingenieur. Zijn driejarige militaire dienst volbracht hij bij de Navy.

Terug in het burgerleven ondervond hij moeilijkheden om werk te vinden als ingenieur en aanvaardde tijdelijk de job van loopjongen bij 20th Century Fox, waar hij korte tijd later aangesteld werd tot story analyst. Hij behaalde nog een graad in Modern English Literature aan de Universiteit van Oxford in Engeland en keerde terug naar Hollywood als literair agent. Hij begon zelf ook scenario’s te schrijven.

Het eerste scenario dat hij verkocht werd door Warner Bros verfilmd als Highway Dragnet, met Nathan Juran als regisseur en met in de hoofdrollen Joan Bennett en Richard Conte. Samen met zijn broer Gene stichtte hij Alta Vista Productions. Hun eerste film werd The Monster from the Ocean Floor, in 1954 verfilmd door Wyott Ordung. Hierna volgde The Fast and the Furious, een seriewestern, gerealiseerd door John Ireland en Edward Sampson (1954). Dit werd de eerste film die verdeeld werd door het zojuist gestichte American International Pictures. Het was voor deze maatschappij dat Corman meestal zou werken - en waar hij in 1955 zijn regiedebuut zou maken – tot in 1970, toen hij door een onenigheid met de grote bazen van AIP, James H. Nicholson en Samuel Z. Arkoff, zich zou terugtrekken om zich ten volle in de productie te storten.

*******************************

b) Medewerkers van Corman

Meestal omringde Roger Corman zich met dezelfde groep technici. Dit was, in de eerste plaats, cameraman Floyd Crosby, veteraan en Oscarwinnaar, die reeds in de jaren 1930 meewerkte aan films van F.W. Murnau, Jean Renoir en Fred Zinneman. Deze in 1899 geboren filmer, ontving in 1931 trouwens een Academy Award voor de beste fotografie van de film Tabu van Murnau en Robert Flaherty. Hij wordt nog steeds beschouwd als één van de beste zwart/wit fotografen uit de filmgeschiedenis, maar bewees ook meermaals dat ook de kleurenfotografie geen geheim voor hem had. Hij stierf in 1985.

Ook de invloed van decorateur Daniel Haller (1926) was duidelijk herkenbaar. Hij werkte onder contract voor A.I.P. sinds het ontstaan en verzorgde de decors van praktisch alle Cormanfilms voor dit productiehuis. Hij was er vooral in gespecialiseerd om op korte tijd en uiterst goedkoop de meest indrukwekkende kastelen, onheilspellende gangen en majestueuze feestzalen te ontwerpen en op te bouwen. Dank zij het productiefonds van Corman kon Haller zelf als regisseur debuteren met Die, Monster, Die (1965), met in de hoofdrol niemand minder dan Boris Karloff en naar een verhaal van H.P. Lovecraft.

De montage van de meeste Cormanfilm werd verzorgd door Ronald Sinclair of Anthony Carras, terwijl ofwel Les Baxter of Ronald Stein tekenden voor een passende muzikale omlijsting.


Boris Karloff


Vincent Price

c) Werkwijze

Het feit dat Roger Corman snel en goedkoop een geslaagd filmwerk kon afleveren, werd vanzelfsprekend opgemerkt door de major-producers van Hollywood. Waar de gemiddelde draaiperiode van een (low budget) Hollywood-film op een drietal weken werd geschat en het doorsneebudget (in de jaren 1950-60) rond de 500.000 $ lag, duurde het draaien van een Cormanproductie zelden langer dan 7 of 10 dagen (zijn record was 3 dagen) en het gemiddeld budget overschreed zelden de 250.000 $, alhoewel hij dikwijls werkte met grote namen (scenaristen als Richard Matheson, Charles Beaumont, Ray Russell, enz. en acteurs als Vincent Price, Boris Karloff, Basil Rathbone, Peter Lorre, Peter Fonda, Shelley Winters, Stewart Granger, Jason Robards, George Segal, Ray Milland, Barbara Steele, enz.) die toch allen een redelijk honorarium eisten.

Volgens Corman zelf ligt zijn goedkope manier van werken aan een tot in de details uitgewerkte pre-productie, die toch ruimte laat voor een zekere improvisatie tijdens het draaien. Een filmcriticus vroeg hem ooit eens voor welk budget hij Cleopatra (de duurste film aller tijden op dat moment – 1963) gemaakt zou hebben. Zijn antwoord: voor tien maal minder en de film zou tien maal meer opgebracht hebben.

********************************************

2) De Teenager-film

Het grote geheim van het succes van Roger Corman ligt in zijn aanvoelen van wat het publiek op dat moment van zijn filmvertier verlangt. Het is statistisch bewezen dat het overgrote deel van dat publiek bestaat uit jongeren tussen de 15 en 30 jaar. De meeste van zijn S.F. films en westerns (in de periode 1955-60) waren dan ook afgestemd op het peil van deze jongeren. Maar hij pikte ook in op de genres die toen furore maakten: de rock-film en de Teenager-Monster-film

In het midden van de jaren 1950 sloeg rock and roll in bij de jeugd. Elk productiehuis, van Universal, Columbia en M.G.M. tot de kleinere A.I.P. en Allied Artists hun ‘rockfilm’ wou zijn eigen rockfilm draaien en binnen de kortste tijd in de zalen brengen. De meesten waren dramatisch waardeloos, maar voor de bioscoopgangers was het toch vooral de muziek die telde.

Verantwoordelijk voor deze rage was, vreemd genoeg, niet eens een rockfilm, maar het meesterlijke Blackboard Jungle van Richard Brooks. Tijdens de generiek van deze film zingt Bill Hailey zijn Rock Around the Clock en dit werd zulk een overweldigende hit, dat Universal de rechten kocht en nog hetzelfde jaar een film met die titel in de zalen had lopen. Het werd de eerste van een lange lijst. Met Elvis Presley bracht men Jailhouse Rock en het knappe King Creole. Little Richard zagen we in Frank Tashlins The Girl Can’t Help It (onlangs nog terug uitgebracht). Ook in Europa volgde men deze trend. In Engeland waren het dé hitmakers van dat ogenblik, Cliff Richard (Expresso Bongo, The Young Ones) en Adam Faith (Never Let Go, Beat Girl) die de spits afbeten. In Duitsland werden het de films met Conny Froboess en/of Peter Krauss.

A.I.P., toen de kampioenen in het inpikken op populaire genres, bleven dan ook niet achterwege en in 1956 blikte Roger Corman Rock All Night in, met het klassieke semi-romantische verhaaltje van een groepje jongeren, die als would be-zangers verzeilt raken in de showwereld. Met de hulp van een kellner (Burt Nelson) slagen ze er uiteindelijk in op de scène te komen, waar ze in het gezelschap verkeren van o.a. The Platters en The Blockbusters. Vooruitziend als hij was draaide Corman nog enkele extra liedjes van deze zangformaties en die gebruikte hij het jaar daarop in Carnival Rock, aangevuld met nog enkele andere populaire namen van dat ogenblik, zoals Bob Luman, The Shadows, Brian Hutton, Ed Nelson en David Houston.

Corman zou Corman niet zijn moest hij niet getracht hebben om, reeds in dit vroege stadium van zijn carrière, vernieuwing in het genre te brengen. In 1957 draaide hij dan ook een rock-film met dramatische inhoud. Teenage Doll werd een spannende thriller over een groepje gewelddadige beatnicks (toenmalige Hell’s Angels) die een stad terroriseren (duidelijk gestolen van The Wild One met Marlon Brando). Hij mixte dit alles op de tonen van ritmische rockmuziek. Fay Spain, Barbara Wilson, Richard Devon en Ed Nelson waren de hoofdvertolkers van deze rock-thriller

.

In 1957 oogstte producer Herman Cohen succes met I Was a Teenage Werewolf van Gene Fowler en I Was a Teenage Frankenstein van Herbert Strock. Corman volgde prompt met Teenage Caveman, welke, buiten de titel, weinig gemeen had met beide voornoemde low-budgets. In deze film toont Corman ons een voorhistorische stam, die een onverklaarbare angst heeft voor het ‘ding’ over de rivier. Een prille Robert Vaughn komt in opstand tegen de oude wijze mannen van de stam en trekt wel degelijk over de rivier, om te ontdekken dat ze eigenlijk de overlevenden zijn van een atoomoorlog, die de rest van de wereld vernietigd heeft.

Met The Young Racers (1962) volgde Corman het stramien van de race-films, die toen hoge toppen scheerde op de box-office lijsten. Anderhalf uur autoracen, met een summier romantisch verhaaltje en wat corruptie en sabotage, werd gretig verslonden door de toenmalige tieners, maar is nu hopeloos verouderd.

In 1966 stopte Corman met goedkope imitaties van tiener-films. Hij draaide toen een film die in het daaropvolgende decennium tientallen malen door anderen geïmiteerd zou worden. In The Wild Angels geeft hij een gezicht aan een nieuwe generatie. Hard, onmeedogenloos, enkel uit op eigenbelang en geweld, rijden de Hell’s Angels doorheen de straten van Californië. Ze vormen een eigen gemeenschap, met eigen (strikte) wetten, een gemeenschap die ondoordringbaar is voor buitenstaanders. Ze hebben hun eigen meisjes en zij die er geen hebben, kunnen een keuze maken uit de zgn. ‘mamma’s’, meisjes voor de gemeenschap, voor ieder gebruik. Hun verzet tegen de ‘gevestigde orde’ spreekt uit al hun gedragingen. Ze dragen hakenkruisen, het meest gehate symbool uit de moderne geschiedenis, ze hebben lang haar (het eerste teken van verzet tegen de oudere generatie) en ze slapen in openlucht. Als protest ontvoeren ze een gewond bendelid uit het ziekenhuis, ook al beseffen ze dat dit zijn dood zal worden. De begrafenisplechtigheid van Loser (Bruce Dern) groeit uit tot een ware orgie. Vooral die scène choqueerde heel wat mensen in het publiek. In verschillende landen (w.o. Nederland en Engeland) werd de film verboden voor openbare vertoningen. Het imago dat Peter Fonda, zoon van Henry en broer van Jane, aan deze film zou overhouden en later zou herhalen in Easy Rider zou hem nooit meer loslaten.

De meest invloedrijke van Cormans tiener-films werd ongetwijfeld The Trip, waarin hij de innerlijke visies trachtte weer te geven van een persoon onder invloed van L.S.D. Nogmaals met Peter Fonda in de hoofdrol, omringd door Bruce Dern en Dennis Hopper, en naar een scenario van Corman zelf en Jack Nicholson, is The Trip door zijn originele vormgeving de beste film ooit over verdovende middelen gemaakt. Hij toont geen gevolgen, geeft geen moraliserende les, tracht niemand van het gebruik van L.S.D. te doen afzien onder valse voorwendselen, maar hij (en met hem het publiek) observeert. Na de visie kan ieder voor zichzelf zijn eigen standpunt t.o.v. drugs bepalen. Hierin is The Trip een experiment zonder weerga. Het werd eigenlijk een docudrama over een bepaald aspect van de toenmalige jeugd en hun gebruiken. Hierna begon Corman aan de voorbereidingen van Easy Rider, waarvoor hij de medewerking kreeg van Dennis Hopper, Peter Fonda en Bruce Dern. Na heel wat meningsverschillen met de bazen van Columbia, die de film gingen produceren, lieten Corman en Bruce Dern het hele project schieten. Hopper en Fonda gingen verder. Ze vervingen Dern door Jack Nicholson en de rest is geschiedenis.

In 1970 draaide Roger Corman zijn ultieme jongerenprent. Gas-s-s-s, or, it Became Necessary to Destroy the World in Order to Save it. Door een industriële fout ontsnapt er een gas dat iedereen doodt die geen neutron in het lichaam heeft (en neutron verdwijnt boven de 25, dixit het scenario). De wereld is aan de jeugd. Ze trekken zich terug in communes en… begaan dezelfde fouten als hun ouders. De film zit boordevol gags en koldereske toestanden. Corman schuwt zelfs geen zelfspot, door een Edgar Allan Poe-figuur regelmatig te laten opduiken, die zinnen opdreunt die zo weggelopen zijn uit House of Usher of The Pit and the Pendulum. Zelfs de obligate raaf met haar onvermijdelijke nevermore ontbreken niet. Gas-s-s-s is een utopische film, die aansluit op de zgn. voyages extraordinaires, die in de 17e, 18e en gedeeltelijk 19e eeuw furore maakten. Het is de onvermijdelijke drang naar een brave new world, de zoektocht naar een nieuw paradijs, waar vrede heerst en er geen milieuvervuiling bestaat. Maar hoe ernstig dit alles ook klinkt, de film is één razendsnelle, vitrioolachtige satire. Het einde is door zijn gigantische allure enigszins mislukt, maar dat is toch geen reden voor het onbegrijpelijke commerciële fiasco (één van de weinige van Corman) van de film. Waarschijnlijk is het meer de politiek die A.I.P. omtrent deze film voerde, die ervoor verantwoordelijk was. Arkoff noch Nicholson (de bazen van A.I.P.) begrepen waarover de film ging en van het feit dat Corman onmiddellijk na beëindiging ervan naar Ierland trok om Von Richthofen and Brown op te nemen maakten ze gebruik om Gas-s-s-s te hermonteren. Nadat ze ook van Bloody Mama achter Cormans rug hadden ‘bewerkt’ kwam het tot een fikse ruzie tussen regisseur en producenten. Corman weigerde nog ooit met hen in zee te gaan. A.I.P. bracht de film dan in de zalen met een minimum aan publiciteit en zonder persvisies. En dat is dodelijk voor elke film.


Dick Miller

3. De griezelfilm

Alvorens door te breken met zijn Edgar Allan Poe-bewerkingen, was Corman reeds verantwoordelijk voor een hele reeks goedkope griezelfilms. Sommigen hiervan, zoals The Day the World Ended, Attack of the Crab Monsters en Not of this Earth behoren tot het S;F; genre en worden in dat hoofdstuk besproken. Hier beperken we ons tot zijn echte griezelfilms.

Het was in 1956 dat Cormans eerste horror-show op de schermen verscheen. Het ding kreeg de titel The Undead mee, een uiterst goedkoop stuk celluloid, dat handelde over een meisje, gespeeld door Pamela Duncan, die door hypnose teruggevoerd wordt naar een vroeger leven. In dat leven was ze het slachtoffer van een afgewezen adellijke minnaar, die haar als wraak van hekserij beschuldigde, zodat ze tot de brandstapel veroordeeld werd. Daarop volgden enkele films over het bijgeloof van inboorlingen op de Hawaiaanse eilanden, Naked Paradise en The She Gods of Shark Reef. In de eerste landt een groep nozems op het paradijselijke eiland. Nadat een leider van de groep de inboorlingen beledigd heeft, wordt hij op rituele wijze om het leven gebracht. In de tweede worden twee jongens, die in een storm verdwaalden, gered door de inboorlingen van een eilandje, waar jaarlijks een jonge maagd geofferd wordt aan het stenen afgodsbeeld. Natuurlijk zullen de twee kerels niets onverlet laten om het slachtoffer, waarop ze beiden verkikkerd zijn, van dit lot te redden. Ze zullen echter de wraak van de stenen god van Shark Reef aan den lijve ondervinden.

The Wasp Woman is een waarschuwing tegen experimenten met cosmetica. Een vrouw ontwikkelt een crème uit koninginnebrij van de bijen waarmee ze terug haar jeugdig uiterlijk krijgt. Maar de neveneffecten zijn afschuwelijk: ze verandert in een ‘weerwesp’ en moet overleven met het bloed van haar slachtoffers. In 1958 was Corman verantwoordelijk voor de film met de langste titel uit de filmgeschiedenis: The Saga of the Viking Women and Their Voyage to the Waters of the Great Sea Serpent (om commerciële redenen ingekort tot Viking Women vs. The Sea Serpent). Een groep Vikingvrouwen gaat op zoek naar hun verdwenen mannen. Deze blijken gevangenen te zijn van een vijandige stam. De dappere vrouwen zullen hun mannen bevrijden en naar huis terugkeren, maar daarvoor moeten ze het echter nog opnemen tegen het monster uit de titel. Een hilarische film, die zo slecht is dat je je als toeschouwer kostelijk amuseert en die dan ook uitgegroeid is tot een cult-klassieker.

In navolging van The Creature from the Black Lagoon verwezenlijkte Corman in 1960 het (ongewild) lachwekkende Creature from the Haunted Sea. De speciale effecten zijn zo amateuristisch dat ze enkel op de lachspieren kunnen werken. Een waar dieptepunt in het oeuvre van Corman.

Bezig bijtje Corman maakte van een leuk reisje naar Griekenland gebruik om even vlug, in co-productie met een plaatselijk productiehuis, dat luisterde naar de onmogelijke naam Papamichaelides, een mythologisch werkje in elkaar te flansen. Atlas verdient zeker zijn plaats tussen de toen populaire peplums met Hercules of Maciste uit de Italiaanse studio’s.

Alle voornoemde werken hielden weinig beloftes in en niemand had toen durven beweren dat Corman ooit verantwoordelijk zou zijn voor enkel van de beste griezelfilms van zijn tijdperk. Door de hoeveelheid films die hij produceerde kon het ook niet anders of er zouden er toch enkele opmerkelijke tevoorschijn komen. De eerste verrassing kwam in 1959. A Bucket of Blood was duidelijk geïnspireerd door House of Wax van André De Toth (1953). Een onbegrepen beeldhouwer ontdekt dat het eenvoudiger is om lijken te gebruiken als model. Hij balsemt hen en heeft eensklaps succes. De critici begrijpen eindelijk zijn werk. In deze film tekent Corman een cynische karikatuur van de criticus, waarin we duidelijk de lijn herkennen van zijn eigen verhouding met de filmcritici. In quasi dezelfde stijl volgde in 1960 het grandioze The Little Shop of Horrors, door Tom Milne in Monthly Film Bulletin destijds omschreven als ‘de beste griezelkomedie ooit gemaakt in twee dagen’. Een bediende in een weinig floriserende bloemenzaak slaagt erin een nieuw soort plant te kweken, maar er mankeert iets aan. De plant komt niet echt tot bloei. Tot op het ogenblik dat hij zich in de vingers snijdt en er een druppel bloed op de plant valt. Dat is zijn meststof, dus zorgt de schlemiele kweker voor het nodige bloed, temeer daar het publiek (en zijn baas) hem rijkelijk betaalt om de eigenaardige plant te bewonderen. Tot op de dag dat de knoppen openbloeien. Tot ieders verbazing zijn de gelaatsuitdrukkingen van de slachtoffers in de bloemen verwerkt. De film heeft de snelheid van een T.G.V. en zit vol gekke dialogen. De film werd zeker niet onmiddellijk ontdekt. Hij verdronk in het aanbod van de ontelbare Z-films van A.I.P., tot hij bijna tien jaar later ‘ontdekt’ werd, toen een revolutionair verdeelhuis in Parijs hem uitbracht. De film werd op handen gedragen door de Franse studenten, met als gevolg dat hij ook in Amerika terug werd uitgebracht en waar tien jaar geleden geen woord over de film in de pers verscheen, kreeg hij eensklaps de meest lovende kritieken van vooraanstaande critici. De geschiedenis is ondertussen bekend: in de jaren 1980 werd de film bewerkt tot een uiterst succesvolle Broadway musical, die in 1986 door Frank Oz verfilmd werd. Dit ontlokte Corman de commentaar: mijn hele film was goedkoper dan de generiek van de remake.

In 1963 leverde Corman met The Terror weer een huzarenstukje af. De Poe-verfilming The Raven was vlugger ingeblikt dan verwacht en de grandioze Britse horror-acteur Boris Karloff stond nog drie dagen onder contract. Van die gelegenheid maakte Corman gebruik om zijn scenarist Richard Matheson de opdracht vlug een scenario in elkaar te steken en haast gelijktijdig begon hij te filmen in de decors van The Raven, terwijl deze werden afgebroken. We zitten aan de Baltische kust, begin 19e eeuw. Een officier van Napoleon (een jonge Jack Nicholson) verdwaalt en komt terecht in het kasteel van Baron von Leppe, die een kluizenaarsleven leidt. Hij merkt vluchtig een knap jong meisje op en wordt (wat dacht je) op haar verliefd, maar kan ze niet terugvinden en niemand wil over haar praten. Het mysterie wordt nog groter wanneer de soldaat ontdekt dat Baron von Leppe in werkelijkheid de moordenaar is van de baron, die hij twintig jaar voordien had afgemaakt. Sindsdien is hij in diens huid gekropen. Maar de geest van de baron leeft nog in het kasteel. The Terror wordt over het algemeen onderschat. Het is één van de meest poëtische films van Corman, een liefdesgeschiedenis in onvervalste Gotische stijl. Zoals steeds zet Karloff zijn rol met een ongeëvenaarde zekerheid neer, ook al had hij maar drie dagen tijd en Nicholson is best geloofwaardig als de officier. Fragmenten uit The Terror werden in 1968 door Peter Bogdanovich verwerkt in Targets, het feitelijke testament van Boris Karloff. In 1990 werd de film gedeeltelijk hermonteerd, voorzien van een proloog en een epiloog en in Frankrijk uitgebracht als The Haunting, een film van Roger Corman, Jack Nicholson, Francis Coppola, Monte Hellman en Charles Griffith. Je moet er maar aan denken!

Zich baserend op het koningsdrama Richard III van William Shakespeare verwezenlijkte Corman in 1962 voor United Artists zijn Tower of London, met Vincent Price in de titelrol. Van de bekende geschiedenis werden hier vanzelfsprekend enkel de gewelddadige momenten overgehouden. Een sterk staaltje van realistische gruwel is de scène waarin de koning bezocht wordt door de geesten van zijn slachtoffers. Vincent Price speelt hier ongetwijfeld één van zijn beste rollen, maar de film stond toch niet op hetzelfde peil als de drie voorgaanden.

************************************************************

4. Edgar Allan Poe

Vanaf zijn pril debuut in 1955 werd Roger Corman beschouwd als een vakkundig, maar weinig opvallend cineast van goedkope actiefilms. Hij had films verwezenlijkt in elk denkbaar genre, zonder echt te getuigen van een grote persoonlijkheid. Maar voor hem veranderde zijn leven en zijn mogelijkheden tot creativiteit op een dag in 1959, toen hij de grote pieten van A.I.P., James H. Nicholson en Samuel Z. Arkoff, voorstelde om Edgar Allan Poe’s The Fall of the House of Usher te verfilmen. Corman had aan een vriend, de jonge schrijver Richard Matheson, die zojuist het scenario had geschreven voor één van de beste en meest originele S.F.-films van de jaren 1950, nl. The Incredible Shrinking Man van Jack Arnold, gevraagd om een screen adaptation te maken van het verhaal van Poe. Aanvankelijk waren Nicholson en Arkoff wel te vinden voor het idee, tot ze te horen kregen dat Corman het plan had opgevat om de film in Scope en kleur te draaien. Toen daalde hun begeestering tot het nulpunt. A.I.P. maakte toen een moeilijke periode door en ze hadden nog nooit met breedbeeld gewerkt. Na heel wat over en weer gepraat kon Corman hen overtuigen en hij kreeg de nodige kredieten (die in verhouding zeer laag waren). Corman kon Vincent Price overtuigen van de mogelijkheden die de rol van Roderick Usher hem boden en de acteur was bereid om tegen een uiterst laag honorarium aan het hoofd te staan van een kleine groep acteurs (zes in totaal). Matheson werkte het verhaal uit tot een scenario, dat meer de geest van het verhaal van Poe in beelden vertaalde, dan echt het verhaal te volgen. Floyd Crosby was de cameraman en Daniel Haller bouwde goedkope, maar efficiënte decors. Corman was in zijn moeilijke taak geslaagd om de krankzinnige, maar poëtische wereld van de Ushers tot leven te brengen, met de nodige mistsluiers en donkere hoeken, waardoor de film haast het uiterlijk kreeg van een prachtige surrealistische schilderij.

De film werd op kleine schaal uitgebracht, maar het publiek was gewonnen. Niet enkel werden op recordtijd de kosten gerecupereerd, maar er werd zelfs heel wat geld verdiend. En de producenten dropen af naar Corman met de bede hetzelfde recept nogmaals te herhalen. The Pit and the Pendulum (1961) werd door haast dezelfde technische ploeg gemaakt, opnieuw met een beperkt budget. Naast Vincent Price werd de Britse leading lady of horror geplaatst, Barbara Steele. Opnieuw was het verhaal van Poe slechts een uitgangspunt om te leiden naar een explosieve climax, zoals trouwens in de meeste van de volgende Poe-adaptaties het geval zou zijn. Maar de genialiteit van Richard Matheson zorgde ervoor dat goedkope effecten vermeden werden. Teneinde de kosten zoveel mogelijk te drukken, gebruikte Corman dezelfde decors als in de vorige film, maar zodanig gecamoufleerd dat het niet opviel. De acteurs naast Price en Steele vielen echter wat uit de toon en misten overtuigingskracht.

Na het succes van deze twee Poe-adaptaties werd Corman door een ander productiehuis, Filmways, benaderd om The Premature Burial (1961), volgens de beproefde formule in te blikken. Nicholson en Arkoff waren zo boos op Corman dat hij toehapte, dat ze weigerden om Vincent Price, die bij hen onder contract was, uit te lenen. Corman kon dan beroep doen op Ray Milland, een andere veteraan van Hollywood. Het leuke aan dit alles is dat uiteindelijk A.I.P. de film in de zalen bracht als distributeur. Ray Milland leeft in angst voor de mogelijkheid dat hij levend begraven zou worden. Om dit risico te vermijden bouwt hij een graftombe, waaruit hij steeds zal kunnen ontsnappen. In de klassieke droomsequentie (steeds een hoogtepunt in de Poe-adaptaties van Corman) bereikt de film een onvergetelijke climax van gruwel en hoogspanning. Op intelligente wijze wist Corman en zijn scenaristen, de beroemde SF/horror-schrijvers Charles Beaumont en Ray Russell, het recept te herhalen dat reeds in 1930 door Fritz Lang op onvergetelijk, angstaanjagende manier was toegepast in M, nl. de gejaagdheid van een bepaald muzikaal thema, dat de spanning verhoogt, telkens je het hoort. In The Premature Burial werd het de mooie Ierse ballade Molly Malone, die Ray Milland tot krankzinnigheid drijft.

Terug thuis bij A.I.P. en in het gezelschap van Richard Matheson, verwerkte Corman in Tales of Terror (1962) drie verhalen, Morella, The Black Cat (met ingrediënten uit The Cask of Amontillado) en The Facts in the Case of Valdemar. Corman kon voor deze film duidelijk over een groter budget beschikken. Opnieuw treffen we Vincent Price aan, als hoofdvertolker in de drie verhalen, met naast hem enkele onvergetelijke collega’s als Peter Lorre, voortreffelijk in zijn grand-guignol uitbeelding van dronkelap in The Black Cat en Basil Rathbone in Valdemar. Het script van Matheson was meer compact omdat hij over veel meer materiaal kon beschikken om de 90 minuten film rond te krijgen.

Corman is er de man niet naar om al te dikwijls in hetzelfde stramien te werken. Hij stond er dan ook op variatie te brengen in deze reeks, die hem nochtans beroemd had gemaakt. Hij nam, samen met Richard Matheson, het gedicht The Raven onder handen en transformeerde het tot een spel van macabere humor en sarcasme. Vincent Price is een gepensioneerde tovenaar, die echter gedwongen wordt de toverstaf op te nemen tegen de ‘meester-tovenaar’, een Boris Karloff in topvorm, die enkele jaren voordien zijn doodgewaande vrouw onder zijn invloed heeft gebracht. Hij wordt bijgestaan (of misschien beter: tegengewerkt) door mislukte tovenaar Peter Lorre en diens zoon (Jack Nicholson). Onvergetelijk zijn de scènes waarin Price de in een raaf veranderde Lorre terug tot zijn normale gestalte wil omtoveren, maar vooral het geniale magische duel tussen Karloff en Price. The Raven is een satire, zeker geen karikatuur en is, samen met Polanski’s The Fearless Vampire Killers, één van de weinige komische griezelfilms die het genre verrijken in plaats van te onteren.

Na deze uitstap in de zwarte humor, keert Corman terug naar de pure horror met The Haunted Palace (1963). De basis van deze film is eigenlijk de roman van H.P. Lovecraft, The Case of Charles Dexter Ward, maar door de meesterlijke pen van Charles Beaumont, getransporteerd naar het universum van Poe. Joseph Curwen (Price), verbrand als magiër, neemt het lichaam over van zijn kleinzoon, Charles Dexter Ward om zich te wreken op de afstammelingen van hen die schuldig waren aan zijn dood. Hij was een aanhanger van Cthulhu, een oude godsdienst, die echter op de loer ligt om de wereld over te nemen. Een monster, gevangen gehouden in een put, is in het ganse dorp aanwezig, in de vorm van tientallen mutanten. Corman heeft op unieke wijze deze twee tijdsniveau’s door elkaar verweven door dezelfde acteurs de rollen te laten spelen van de heksenjagers en hun afstammelingen. Vincent Price wordt schitterend bijgestaan door acteurs als Lon Chaney, Leo Gordon en Elisha Cook. Weer had Corman bewezen een meester te zijn in het creëren van een poëtisch-gruwelijke sfeer, doordrongen van een duivels kwaad.

Al deze voorgaande films waren eigenlijk een vingeroefening. Het was duidelijk dat de man ooit eens een grandioos meesterwerk zou afleveren en dit gebeurde in 1964 met het in Engeland gedraaide The Masque of the Red Death, de film die de faam kreeg van de Citizen Kane van het horrorgenre. In deze prent bereikt Corman de grenzen van de extreme gruwel. Vincent Price verpersoonlijkt het kwaad in de figuur van Prins Prospero die, gewoon voor zijn plezier, de mensen van het dorp foltert en doodt zonder enig motief. De horror is niet enkel meer tegenwoordig in de sfeer of de actie, maar in eigen persoon. Francesca, een jong onschuldig meisje (Jane Asher) is de enige die getuige is van wat er gebeurt achter de muren van Prospero’s kasteel. Om de één of andere reden kan Prospero er niet toe besluiten het meisje te doden. Misschien is het omdat het kwaad er nooit in zal slagen pure goedheid uit te schakelen, want Francesca is het enige ‘goede’ element in de wereld van Prospero, maar ze is zo onopwindend ‘goed’ dat de toeschouwer geen greintje sympathie voor haar koestert. De apotheose volgt tijdens een duivels verkleed bal, dat eindigt in een onvervalste orgie. Het kasteel is volledig geïsoleerd van de buitenwereld, waar de ‘rode dood’ (de pest) heerst. Iedereen die om bescherming smeekt van de kasteelheer wordt genadeloos aan zijn lot overgelaten. Juliana (Hazel Court), de vrouw van Prospero, gaat tijdens een zwarte mis een verbond aan met de duivel. Wanneer het bal zijn hoogtepunt bereikt verschijnt de gemaskerde ‘rode dood’ in persoon op het feest. Razend van verontwaardiging om deze onbeschaamde daad rukt Prospero het masker af van de vermetele die dit gehate personage durft uit te beelden, enkel om te ontdekken dat deze zijn eigen gezicht weerspiegelt, maar dan met al het kwaad en gruwelijke dat op zijn geweten kleeft, als een duidelijk teken van verrotting. De film eindigt in een macaber ballet. Alle genodigden van de prins dansen tot ze neervallen van uitputting en sterven. De laatste sequens toont een bijeenkomst van de ‘doden’ van verschillende kleur. Corman had de film willen maken zonder één griezelscène, maar de producenten waren daartoe niet bereid, dus heeft hij er een drietal scènes bij gedraaid, die echter duidelijk niet in de film horen. Maar toch blijft The Masque of the Red Death één van de meest geniale films in het genre, met een knap scenario van Charles Beaumont en R. Wright Campbell en prachtige Cinemascope-fotografie van Nicholas Roeg.

Het thema van Tomb of Ligeia (1964), de laatste Poe-adaptatie van Corman, is opnieuw reïncarnatie, reeds gebruikt in The Haunted Palace. Ligeia is overleden en haar echtgenoot, Verden Fell (opnieuw Price) maakt kennis met Rowena, die onheilspellend lijkt op zijn geliefde Ligeia (beide rollen worden gespeeld door Elizabeth Shepherd). Fell huwt haar, maar blijft geobsedeerd door het beeld van Ligeia. De climax wordt bereikt wanneer Rowena een kat volgt in de geheime gangen van het kasteel. Op dat ogenblik neemt Ligeia bezit van de geest van Rowena. Het laatste kwartier is zo verward dat we eigenlijk nooit weten wie wie is. Ligeia is herop gestaan en sleurt Fell mee in het verval, terwijl Rowena gered wordt door haar vroegere verloofde. De film laat open welke van de twee vrouwen in werkelijkheid gered werd. Na The Masque of the Red Death is deze film, die ook in Engeland gemaakt werd; een ontgoocheling. Het scenario van Robert Towne is verward en geeft weinig diepgang aan de personages. De fotografie van veteraan Arthur Grant is wel heel subtiel en neemt deel aan de actie.

Met deze reeks van acht films maakte Corman eigenlijk een encyclopedie van het werk van Edgar Allan Poe. Praktisch elk element uit diens werk vinden we terug in deze films. Dat was trouwens het doel van Corman: de wereld van Poe in filmbeelden hertalen, niet de verhalen verfilmen en daar is hij zonder twijfel in geslaagd. Na Corman werden nog veel andere films gedraaid, naar verhalen van Poe, maar geen enkele is erin geslaagd om de ijzingwekkende sfeer te bereiken waarin de films van Corman baden. Op zijn beurt nam Corman, na The Tomb of Ligeia afscheid van de griezelfilm. Als regisseur ten minste, tot zijn unieke come back 25 jaar later. Hij zou er nog tientallen produceren, maar dat is een ander verhaal.

5) De Science Fiction Films

Alhoewel Roger Corman zich op korte tijd een hele faam kon verwerven op het domein van de griezelfilm, heeft hij nooit de juiste feeling gehad om een geslaagde science fiction film af te leveren. Op één na (The Last Woman on Earth) zijn de meest memorabele effecten in zijn S.F.-films deze die op horror-effecten berusten.

In 1955 verscheen zijn eerste S.F.-prent, The Day the World Ended, waarin we een groepje van zeven overlevenden na een atoomoorlog volgen. Harmonie bestaat niet in dit groepje en de spanningen lopen zo op dat een explosie onvermijdelijk wordt. Er verschijnt ook nog een lachwekkende mutant met drie ogen. Uiteindelijk overleven slechts twee mensen het slagveld, de nieuwe Adam en Eva, die verantwoordelijk worden voor het tot stand komen van een nieuwe maatschappij, waar vrede en geluk heerst (gelukzalige gedachte). Eén van de rollen wordt vertolkt door Touch Connors, die later als Mannix, met de voornaam Mike, bekend zou worden. Veel beter was het niet gesteld met It Conquered the World (1956), waarin een Venusiaan de aarde komt verkennen om zich ervan te vergewissen of deze planeet geschikt is voor een invasie. De film lijdt vooral onder het groteske uiterlijk van deze Venusbewoner, met als gevolg dat men op de spannendste momenten meestal in een schaterlach uitbarst. Wel goede vertolking van Peter Graves en Lee Van Cleef aan het begin van hun loopbaan.

Van beter gehalte was Not of this Earth (1956). Een afgevaardigde van een vreemde planeet komt naar de aarde, vermomd in een menselijke gestalte, om een ‘stille invasie’ voor te bereiden. Hij zuigt de levensenergie uit de aardbewoners en wanneer deze hem eindelijk uitgeschakeld hebben, komt gewoon een ander opdagen om diens plaats in te nemen. Not of this Earth is de eerste S.F.film van Corman waarin hij zich sociaal kritisch opstelt en al werd de film duidelijk gemaakt in de voetsporen van Don Siegels Invasion of the Body Snatchers, toch bevat de film voldoende originele momenten om hem boven de middenmaat te verheffen. Het scenario van Lou Russoff werd beschouwd als een uitstekend anticommunistisch horror-pamflet, maar Corman trad deze gedachte niet bij. “Ik ben een filmmaker, geen politicus,’ beweerde hij.

In 1957 had Jack Arnold al succes met een uitvergrote Tarantula en Gordon Douglas met overgroeide mieren in Them!. Dat was voor Corman het dankbare uitgangspunt om hetzelfde procédé toe te passen op krabben in Attack of the Crab Monsters. Door atoombestraling beginnen de krabben uit de titel gigantische proporties aan te nemen en ze terroriseren een dorp in de buurt. Ook al zien de krabben er terecht uit als bordkarton, toch bevat de film enkele uitstekende momenten, dank zij het intelligente scenario van Charles B. Griffith. In War of the Satellites krijgen de Verenigde Naties bedreigingen van een ‘onbekende macht’: als ze verder gaan met het in de ruimte sturen van satellieten, zullen de aardbewoners gedood worden door de ruimtewezens. Weinig vernieuwende film, die dan weer geïnspireerd werd door The Day the Earth Stood Still. Er was hier echter geen Gor om het zwakke scenario te redden.

In 1960 zorgde Corman voor een verrassing in het genre. Alhoewel duidelijk met een no-budget verwezenlijkt, is The Last Woman on Earth één van de meest miskende films uit Cormans vroege carrière. De mosterd haalde hij natuurlijk van The World, the Flesh and the Devil van Ranald MacDougall, maar Corman en zijn scenarist Robert Towne gaan een heel andere richting uit. Door een onbekende oorzaak was er gedurende enkele minuten geen zuurstof in de aardatmosfeer. Enkel drie personen overleven deze wereldramp, omdat ze zich juist met duikapparatuur onder water bevonden. Het zijn Harold, een gewetenloze gangster (gespeeld door Anthony Carbone), zijn vrouw Evelyn (Betsy Jones-Moreland) en de niet al te eerlijke advocaat Martin (Edward Wain – pseudoniem voor scenarist Towne). Harold neemt de leiding over het trio, want volgens hemzelf is hij de enige die voldoende organisatievermogen bezit om de meeste overlevingskansen te bieden in hun benarde situatie. Maar dan breken de passies los. Evelyn, de enige vrouw in het gezelschap, moet toebehoren aan twee mannen, die echter geen van beiden bereid zijn om haar te delen. Het komt tot een gevecht waarbij Martin eerst blind en dan gedood wordt. Dit einde is veel logischer dan de verzoening om het einde van The World, the Flesh and the Devil. Twee mannen en één vrouw kunnen niet in vrede samenleven. In MacDougalls film groeien twee mannen (Harry Belafonte en Mel Ferrer) van een aanvankelijke vijandschap (gesterkt door racisme) naar vriendschap, met als metafoor de mooie blonde Inger Stevens. Bij Corman zijn het twee vrienden die stelselmatig een dodelijke haat voor elkaar ontwikkelen. De hele psychologie van deze film is vervat in de laatste woorden, uitgesproken door Harold na de dood van Martin: We shall never learn! Voor de vrouw deed het er niet toe wie overleefde, want alhoewel ze zich aangetrokken voelde tot Martin volgt ze Harold zonder één woord van verwijt. Martins dood is eigenlijk een opluchting, de enige oplossing in hun brave new world. Heel dit laatste fragment speelt zich – o symboliek! – af in een kerk en kan geïnterpreteerd worden als de zondvloed, gevolgd door een nieuwe eerste misdaad, een nieuwe Abel/Kaïn-situatie, die weinig hoop biedt voor de toekomst.

Het feit dat Martin blind wordt alvorens te sterven is belangrijk in de optiek van Corman. Voor hem staat het oog (= zicht) gelijk aan het leven. Uit de meeste films van Corman blijkt duidelijk dat deze cineast a.h.w. geobsedeerd wordt door het zichtvermogen. Mensen die zich tegen iets moeten beschermen in hun eigen onrealistisch universum, dragen in zijn films meestal een donkere bril. Roderick Usher in House of Usher, Vernon Fell in Tomb of Ligeia, Al Capone in The St. Valentine’s Day Massacre, Heavenly Blues in The Wild Angels, om slechts enkele voorbeelden te noemen, hebben allen genoeg van de realiteit en trekken zich terug in hun eigen wereldje. De mutant in The Day the World Ended heeft drie ogen, het ruimtewezen in Not of this Earth zuigt de levensenergie van mensen op via zijn ogen, de Venusiaan van It Conquered the World wordt gedood door het uitsteken van zijn enig oog, het zicht van LSD-gebruiker Paul in The Trip breidt zich uit na inneming van de drug, enz., enz. Volgens Freudiaanse theorieën staat een aanval op het oog gelijk aan een symbolische castratie.

Heel die obsessie voor het oog bereikt zijn apotheose met The Man with the X-Ray Eyes (1963), naar een scenario van Ray Russell en Robert Dillon. Dr. Xavier (Ray Milland) experimenteert op zichzelf met een door hem uitgevonden middel om de draagwijdte van het zich uit te breiden met meer dan 90%. Gevolg is dat hij eerst een kermisattractie wordt en tenslotte een gevaar voor de maatschappij, want hij kan dingen zien die niet bestemd zijn om door mensenogen aanschouwd te worden. If thine eye offends thee, plug it out zegt de bijbelse tekst. Zijn enige redding blijft tenslotte het uitsteken van zijn eigen ogen. Hierna zou Corman nog slechts één SF-film maken, Gas-s-s-s, maar die valt meer onder de tienerfilms, evenals het daar ook reeds onder de loupe genomen Teenage Caveman.

***************************************************

6) De Westerns

Als story-editor bij 20th Century Fox kreeg Corman al vlug de smaak te pakken van de verhalen. Hij besloot zelf een scenario te schrijven en kon dit verkopen aan Allied Artists, The House by the Sea. Richard Conte en Joan Bennett speelden de hoofdrol in deze thriller over een gangster en een vrouw die achtervolgd door de politie en andere gangsters door de woestijn vervolgd worden. Nathan Juran tekende voor de regie. Op het laatste ogenblik werd de titel veranderd in Highway Dragnet, omdat op tv de reeks Dragnet gretig gevolgd werd door een groot publiek. Corman werkte gratis op de set en als dank werd hij op de generiek gezet als associate producer en scenarist. De film werkte redelijk goed aan de kassa en met de royalties kon Corman een tweede film produceren, The Monster from the Ocean Floor, voor een budget van amper 12.000 $. Debuterend regisseur Wyatt Ordung draaide de film zonder vergoeding, maar deed heel wat ervaring op. The Monster bracht 100.000 $ op en dat kon niet onopgemerkt blijven. Hij kon een drie-film-deal afsluiten met een juist beginnend productiehuis, opgericht door Nicholson en Arkoff en de samenwerking zou 15 jaar stand houden. Corman schreef zelf het scenario voor The Fast and the Furious en kon toen redelijk bekende namen aantrekken als John Ireland en Dorothy Malone. Ireland tekende voor de regie. In deze film was Ireland een truck chauffeur die onschuldig veroordeeld werd voor moord. Hij kan ontsnappen en komt de mooie blonde Dorothy tegen, die ervan droomt om deel te nemen aan een race, maar geweigerd wordt omdat ze een vrouw is. Ze vormen een team, nemen deel aan de race om uit de handen van de politie te blijven, maar nadien besluit Ireland om terug te keren en zijn onschuld te bewijzen.

Na deze drie producties voelde Corman voldoende ervaring opgedaan te hebben om zelf de regie te voeren. Als regisseur-producent hoopte hij volledige controle te kunnen hebben op zijn films. Hij begon zijn carrière met drie westerns, hét succesgenre bij uitstek in de jaren 1950. Hij trok 60.000 $ uit, voor een draaitijd van negen dagen en zijn regiedebuut kon de zalen in. Five Guns West (1955) draaide rond vijf misdadigers die in eer gesteld kunnen worden als ze een gevaarlijke opdracht tot een goed einde kunnen brengen. Ze moeten dwars door indianenland, maar Corman had geen geld om een bende indianen in te huren als figurant, dus besloot hij stockshots (vroeger opgenomen beelden voor andere films) te gebruiken met indianen, een procédé dat hij later nog dikwijls zou herhalen. John Lund, Dorothy Malone en Mike Connors speelden de hoofdrollen.

Onmiddellijk na de opnamen startte hij met Apache Woman (1955), nog een kleurenwestern, ditmaal met Lloyd Bridges en Joan Taylor. Een regeringsagent (Bridges) wordt naar het Apachereservaat gestuurd om een reeks gewelddadige misdaden te onderzoeken, waarvan de blanken de normaal vreedzame Apaches verdenken. Hij wordt verliefd op een halfbloed-vrouw (Taylor) en het blijkt dat haar halfbroer verantwoordelijk is voor de misdaden. Met Apache Woman tekende Corman eigenlijk zowat de eerste western waarin de indianen niet schaamteloos als wilde dieren afgeschilderd werden. Hij veroordeelt duidelijk het racisme tussen blanken en indianen, maar ook dit tussen een halfbloed, die noch door de indianen, noch door de blanken aanvaard wordt. Dit maakt van Apache Woman zeker geen meesterwerk, daarvoor is het verhaal veel te oppervlakkig, maar het geeft hem toch een zekere meerwaarde.

Met The Gunslinger (1956) verwezenlijkte Corman dan weer een ‘feministische’ western, met een verhaal dat wel wat schatplichtig is aan Johnny Guitar van Nicholas Ray (1953). Wanneer haar man door enkele boeven wordt gedood, neemt zijn vrouw (Beverly Garland) zijn rol over als sheriff. Ze laat de bar sluiten en schiet één van de boeven neer tijdens de begrafenis van haar man. Ze drijft de spanning zodanig op dat de boeven een man inhuren om haar op te ruimen. The Gunslinger noemt Corman zelf zijn moeilijkste werkstuk, niet de film enkel voor een intelligent publiek is, maar omdat het doorlopend regende en de wagens en paarden in de modder zonken. “We hadden de film Mudslinger moeten noemen,” verklaarde hij. Tot overmaat van ramp schoof het paard van Allison Hayes, die de concurrente speelt van Garland, in de modder uit en de actrice brak haar arm. Corman liet nog vlug enkele close ups van haar nemen en draaide haar laatste scènes met een stand-in. Het was de eerste keer dat hij over tijd was: hij had zes draaidagen gepland en het werden er zeven.

Zijn vierde en laatste western als regisseur werd The Oklahoma Woman (1956). Wanneer Richard Denning vrijkomt uit de gevangenis, besluit hij een rustig leventje te leiden op de ranch die hij erfde. Maar dan verschijnt zijn ex-vriendinnetje, Peggy Castle, die een bende outlaws leidt. Ze wil hem laten beschuldigen van een moord die zij pleegde. Gelukkig is er Cathy Downs om de waarheid aan het licht te brengen. Weer een western waarin de rol van de vrouw prominent aanwezig is. Maar westerns waren duidelijk niet Cormans ding. Hij kon niet opboksen tegen de grote machines van een John Sturges of een John Ford, dus besloot hij zich niet meer aan het genre te wagen, ook al leverde hij vier westerns af die sterk afwijken van de typische Hollywood-western.

7) De Oorlogsfilms

Roger Corman hield van uitdagingen. Hij wou steeds nieuwe paden betreden, andere genres uitproberen. In 1960 viel het hem op dat hij nog nooit een oorlogsfilm gedraaid had. Hij gaf Charles B. Griffith de opdracht een scenario te schrijven over een oorlogsfeit dat nog nooit voordien behandeld werd. Ski Troop Attack speelde zich volledig in de bergen af. Een Amerikaans peloton krijgt de opdracht, tijdens WOII, om een brug op te blazen die door de Duitsers gebruikt wordt om munitie te vervoeren. Probleem is dat die brug zich achter de Duitse linies bevindt en enkel te bereiken is via de bergen. Een ploeg ervaren skiërs wordt aangeduid. Ze worden betrapt en moeten al skiënd vluchten. De Duitsers zetten de achtervolging op dezelfde wijze in. De film is razendsnel gemonteerd en is spannend van begin tot einde, ondanks het eerder summiere scenario. De schitterende bergopnames werden gemaakt op Mount Terry in de Black Hills van South Dakota. Als Duitse commandant had Corman een Duitse professionele skiër ingehuurd, maar enkele dagen voordat de opnamen begonnen brak deze een been. Er zat niets anders op voor Roger dan zelf de rol maar te spelen, ook al kende hij geen Duits en kon hij al evenmin skiën.

In 1964 werd Roger benaderd door major producer United Artists om een film voor hen te maken. Voor het eerst in zijn carrière zou hij voor een major werken, met een budget van 600.000 $ en grote namen als acteurs. De keuze viel op een scenario van Robert Campbell, The Secret Invasion. De film werd in Europa gedraaid, met hoofdkantoor in Londen. Rogers broer Gene stond in voor de productie. The Secret Invasion is duidelijk een spin-off van The Dirty Dozen, maar is veel intelligenter gemaakt, zonder de overdrijvingen waaraan Robert Aldrich en enkele van zijn acteurs (vooral Telly Savalas) zich schuldig maakten. Vijf misdadigers worden door de Britse Geheime Dienst in vrijheid gesteld en onder leiding van Kapitein Stewart Granger trekken ze naar bezet Joegoslavië, waar ze een Italiaanse generaal, die naar de geallieerden wou overlopen, moeten bevrijden. Vermits op dat punt in WOII de Italiaanse soldaten met het dilemma zaten of ze de Duitse bezetter moesten volgen of wilden samenwerken met de geallieerden, zou het overlopen van een invloedrijke generaal hun keuze kunnen beïnvloeden. Van de drie oorlogsfilms die Corman gemaakt heeft is The Secret Invasion ongetwijfeld de meest conventionele. Hij kon rekenen op enkele sterke acteurs als Stewart Granger, Raf Vallone, Mickey Rooney en Henry Silva.

Het was eveneens United Artists die hem groen licht gaf voor zijn derde oorlogsfilm. Ook nu weer was Gene de producent en een Japanse nieuwkomer, Jimmy T. Murakami, trad op als associated producer. Murakami zou later met Roger als producent de plezierige SF-film Battle Beyond the Stars draaien, evenals de indrukwekkende tekenfilm When the Wind Blows. Roger had reeds jaren belangstelling getoond om het duel in beeld te brengen van die Duitse officier Baron Manfred von Richthofen, bijgenaamd de Rode Baron wegens zijn heldenmoed in de lucht, met de gewone Canadese jongeman Roy Brown, die hem uiteindelijk zou uitschakelen tijdens WOI. In 1970 werd die droom eindelijk werkelijkheid met Von Richthofen and Brown (in Europa uitgebracht als The Red Baron). John Philip Law geeft aristocratische allure aan von Richthofen, een man voor wie oorlog een heilige plicht is. Hij is een halsbrekende waaghals, die blijkbaar onsterfelijk is. Tot hij het pad kruist van de Canadese Roy Brown (Don Stroud), die in alles zijn tegengestelde is. De film zit vol adembenemende luchtgevechten, maar in de scènes op vaste grond valt hij af en toe wel stil, waardoor de film wat onevenwichtig wordt. Toch blijft Von Richthofen and Brown nog steeds een boeiende rolprent, die een stukje vergeten oorlogsgeschiedenis vereeuwigde. Na deze film zou het twintig jaar duren alvorens Roger Corman nog een film als regisseur zou draaien.

*********************************************

8) De gangsterfilms

Nog een typisch Amerikaans genre bij uitstek waaraan Corman niet voorbij kon gaan de crime films. Voor zijn tweede film als regisseur, Swamp Women (1955), trekt hij de vrouwengevangenis in, waar enkele ruwe meiden een ontsnapping voorbereiden. Daar vermoed wordt dat er iets op til is, wordt een vrouwelijke agente undercover bij hen opgesloten. En inderdaad, ze ontsnappen en verschuilen zich in de bayous, waar een schat aan diamanten verborgen moet zijn. Ze zaaien dood en vernieling onder de bewoners en één van hen wordt opgepeuzeld door een alligator, maar voor de rest is het een zootje dat niet bepaald om aan te zien is. Een chaotisch scenario, erbarmelijke montage en vooral barslecht geacteerd door toch enkele betrekkelijk bekende namen als Beverly Garland, Marie Windsor en Mike Connors. Van een even armzalig gehalte is Naked Paradise of Thunder over Hawaii (1957). Het jacht van Duke (Richard Denning) wordt gecharterd door gangster Zach (Leslie Bradley) en zijn twee lijfwachten Mitch en Stony (Dick Miller en Jonathan Haze, de fetisj acteurs van Corman). Het is hun bedoeling het jacht te gebruiken om de buit van de overval op diverse plantages uit het tropische paradijs te smokkelen. Het geld zit verborgen in uitgeholde ananassen. Duke zal er vanzelfsprekend een stokje voor steken. Van spanning is er weinig sprake, maar dank zij Miller en Haze, de twee ongeletterde killers, zitten er wel enkele leuke momenten in. Corman zelf speelt een gastrolletje, evenals Samuel Z. Arkoff. Corman gebruikte hetzelfde uitgangspunt voor The Creature from the Haunted Sea.

Na deze twee mislukkingen volgt een trio van betere realisaties. Sorority Girl (1957) is een typisch product van de jaren 1950. Het speelt zich af op de campus en het centrale personage is Sabra (Susan Cabot), een meisje met veel geld, maar dat geen liefde kent. Ze begint de meisjes van haar klas te terroriseren en eindigt met hen te chanteren. De suspense van de film wordt strak, maar subtiel, opgebouwd naar de climax op het strand, waar alle meisjes rond Sabra staan en haar toesnauwen: “Jij hebt niets menselijk… je bent iets dat de zee heeft uitgespuwd!”. Cabot zet een ijzersterk personage, dat goed gecounterd wordt door Dick Miller (in één van zijn zeldzame hoofdrollen) als de enige student die tegen haar in durft te gaan. Een soort vrouwelijke Rebel Without a Cause, die best nog steeds te pruimen is, al is het maar voor de nostalgische uitstraling van de film.

Machine Gun Kelly (1958) was eigenlijk een keerpunt in de carrière van Roger Corman. Het was een psychologisch goed doordachte film, die minder oppervlakkig oogt dan de ‘quickies’ die hij tot dan toe maakte. Een groot deel van dit succes is te danken aan Charles Bronson, in zijn eerste hoofdrol. Corman maakt intelligent gebruik van het duidelijke gebrek aan acteertalent van deze acteur. Zo zet hij een erg onzeker personage neer, George ‘Machine Gun’ Kelly, die midden jaren 1930, eigenlijk tot zijn eigen verbazing, uitgroeit tot staatsvijand nummer één. De drijfveer achter zijn daden is in feite pure doodsangst en frustratie. Samen met zijn geliefde Flo (Susan Cabot) wil hij de kroon op zijn misdadige loopbaan plaatsen met een ingewikkelde kidnap. Maar natuurlijk loopt alles niet af zoals gepland. Deze film werd haast ‘back to back’ opgenomen met I Mobster (1958), waarin hij de opkomst en val behandelt van Joe Sante, een eens machtige maffia-baas. Steve Cochran vertolkt dit controversieel personage vanaf het ogenblik dat dit onder druk gezet wordt door de anti-misdaad brigade en gaat ‘zingen’. In flashbacks zijn we getuige van zijn jeugdjaren en zien we hoe hij naar de top van de georganiseerde misdaad schiet. De film brengt een onthullend portret van de hiërarchie binnen de maffia. Cochran levert een verbluffende prestatie, maar de film mist de psychologische diepgang van Machine Gun Kelly.

Het was wachten tot eind jaren 1960 alvorens Corman zich nogmaals aan de misdaad zou wagen. Maar met welk een resultaat! Het was best het wachten waard. Nadat hij een tijdje geflirt had met Columbia, waar hem allerhande beloftes gedaan werden, die echter nooit werden nagekomen, besloot Roger om met hen te kappen en een voorstel aan te nemen van 20th Century Fox. Die presenteerden hem het script voor The St.Valentine’s Day Massacre (1967) met een budget van één miljoen dollar. Het grootste budget waar hij ooit mee gewerkt had. Hij kreeg volledig vrij spel. Roger wou Orson Welles in de rol van Al Capone en Jason Robards in deze van Bugs Moran. Daar wou men bij Fox echter niets van weten. Ze hadden al genoeg problemen gehad met Welles, dus bleef Roger niets anders over dan het aanbod van Fox te volgen: Jason Robards als Al Capone en Ralph Meeker als Moran. Hij benaderde het scenario van Howard Browne op semi-documentaire wijze en belicht de situaties die uiteindelijk zouden leiden tot de bloedige afslachting op St.Valentijn 1929 van de bende van Bugs Moran. Capone en Moran waren de onbetwiste leiders van de onderwereld in het Chicago van eind jaren 1920. Het was in die dagen onophoudelijk het toneel van onmeedogenloze afrekeningen tussen de met elkaar rivaliserende bendes. De beide gangsterbazen bleven elkaar zodanig tarten dat een explosieve climax niet kon uitblijven. Dit bloedbad greep plaats op St.Valentijn in een garage. De hele bende van Bugs Moran werd genadeloos afgeslacht. Het werd één van de gruwelijkste bladzijden uit de maffia-geschiedenis in Amerika. Roger kon binnen budget blijven en de film toch een dure look geven door de sets te gebruiken van vroegere films van Fox. Zo was het hoofdkwartier van Al Capone ooit het kasteel in The Sound of Music, de bar uit The Sand Pebbles werd omgebouwd tot een bordeel en de buitenzichten uit Hello Dolly werden omgebouwd tot het Chicago van de jaren 1920. De film werd uitstekend onthaald door pers én publiek, maar is ondertussen, spijtig genoeg, wat vergeten.

In 1970 vroeg AIP-baas Arkoff aan Roger om nog een film voor hen te draaien. Ze hadden een scenario klaarliggen van Robert Thom, Bloody Mama, dat zich afspeelde op het zuidelijke platteland in de depressiejaren. Het ging over de misdaden van Kate ‘Ma’ Barker en haar vier sadistische zonen, die de hele streek onveilig maakten met hun misdaden. Roger kon niemand minder dan Shelley Winters strikken voor de rol en het rauwe realisme dat ze in haar rol legt is het bewijs van het gevoel voor casting van Roger. Samen stelden ze de rollen samen voor haar zoons. Al vlug werden Don Stroud, Robert Walden en Clint Kimbrough onder contract genomen. Shelley toonde Roger een tape van een underground film met een jonge, onbekende kerel, die wel over potentieel leek te beschikken. Het was Robert De Niro. Hij werd onmiddellijk gecast als Lloyd, de ongenadige killer van de familie. Het was zijn eerste rol in een belangrijke filmproductie. In onvervalste stripstijl brengt Roger het verhaal van Ma Barker en haar zonen. Ma slaapt om beurten bij haar zonen, brengt een hoertje (Diane Varsi) in huis, die al onmiddellijk voor spanningen zorgt tussen de broers, bezorgt hen drugs en andere dingen waarmee ze haar ‘moederliefde’ betuigt. Het geheel eindigt in een geweldige kogelregen, die deze van Bonnie and Clyde geheel in de schaduw stelt. Corman speelt al zijn commerciële troeven uit: sadisme, geweld, sex, incest, actie, humor, newsreels en geeft bovendien sociale commentaar met een knipoogje. In Amerika had de film een weinig opgemerkte carrière, maar in Europa werd hij gesmaakt door pers en publiek.

9) De uitschieter: The Intruder

Slechts één keer liet Roger Corman zich in met een sociaal thema, een film met een ‘boodschap’. Zijn vriend Charles Beaumont had in 1959 een boek geschreven over de rassensegregatie in het zuiden van de States. Ook al vond hij geen enkele maatschappij bereid om hem financiële steun te geven, toch wou hij het controversieel verhaal verfilmen. Samen met zijn broer Gene produceerde hij de film voor hun eigen maatschappij Filmgroup. The Intruder (1961) heeft als uitgangspunt wetsvoorstel dat negers naar dezelfde scholen mogen gaan als blanken. In het zuiden is geen enkele blanke hiervoor te vinden, maar ze kunnen niets anders dan zich erbij neerleggen. Op een dag arriveert in het kleine stadje Caxton een knap afgeborstelde, clean cut blanke, Adam Cramer (schitterende rol van een pre-Star Trek William Shatner). Adam predikt de rassenhaat. Hij leeft ervan, hij geniet ervan. Binnen de kortste tijd heeft hij de hele blanke bevolking achter zich staan. Na een grootse toespraak op de plaatselijke Grote Markt, worden kruisen verbrand, bommen geworpen in een negerkerk en een zwarte pastoor vermoord. De enige die niet wil meespelen met deze ‘redder van het zuivere ras’ is journalist Tom McDaniel (Frank Maxwell), maar wanneer deze een groep negerstudenten veilig naar school begeleidt, wordt hij in elkaar geslagen door zijn vroegere ‘vrienden’. Adam dwingt diens dochter om één van de negers van verkrachting te beschuldigen ‘ten einde haar vader verder onheil te besparen’. De bevolking wil de jongeman lynchen, opgehitst door Adam, maar dan verschijnt zijn buurman, Sam Griffin (Leo Gordon), die Adam ontmaskert voor de charlatan die hij is. Roger besloot om de film op locatie te draaien. Aanvankelijk werd hij goed ontvangen door de bevolking. Tot deze begrepen waarover de film eigenlijk ging. Vanaf dat ogenblik verliepen de opnamen zelfs niet zonder levensgevaar. De filmploeg werd van elke locatie verjaagd en de sheriff gaf hen het bevel te vertrekken, ook al hadden ze de nodige toelatingen om te filmen. De eindscène werd zelfs op drie verschillende locaties gefilmd, maar je moet goed opletten om de verschillende achtergronden te zien. Toen de film af was, vonden ze weer geen verdeler die hem in de zalen wou brengen. Niemand durfde het aan. Ook bioscoopexploitanten huiverden ervan. Hij werd geselecteerd voor het Festival van Venetië, waar hij bijzonder enthousiast ontvangen werd. Door al die heisa werd de enige film van Roger Corman met een integere boodschap, ook zowat de eerste film waaraan hij persoonlijk geld verloor. Ondertussen heeft hij echter bij een jong, intelligent publiek in Amerika een cultstatus verworven.

10) De nakomer: Frankenstein Unbound

Na beëindiging van Von Richthofen and Brown was Roger Corman het regisseren van film beu. Temeer daar hij met de meeste producenten niet goed meer kon werken. Steeds minder kreeg hij de eindcontrole van de montage en steeds meer werden hem dingen voorgeschoteld die hij niet wou draaien. Hij besloot zich een tijdje op de productie toe te leggen en richtte zijn eigen productiehuis op, New World Pictures. Het productiewerk eiste echter zoveel van zijn tijd op dat hij niet meer aan regisseren toekwam. New World werd een succes en hij verkocht het en richtte onmiddellijk een nieuw productiehuis op, New Horizon, met Concorde als distributeur. Hij importeerde tientallen Europese films voor de Amerikaanse markt en lanceerde de carrière van een hele generatie cineasten en acteurs, denken we maar aan Jack Nicholson, Peter Bogdanovich, Francis Ford Coppola, Monte Hellman, Dennis Hopper, Martin Scorsese, Robert De Niro, Bruce Dern, Joe Dante, Paul Bartel, James Horner, Jonathan Demme, Jonathan Kaplan, Allan Arkush, David Carradine, Steve Carver, de volwassen Ron Howard (die voor hem zijn regiedebuut maakte met Grand Theft Auto), Barbara Peters, Sylvester Stallone, James Cameron en ga zo nog maar een tijdje verder.

Eind 1988 benaderde Universal hem om de regisseur te worden van hun project Frankenstein Unbound, naar de roman van Brian W. Aldiss. Het scenario leek hem wel wat, maar hij moest er nog heel wat aan sleutelen. Toen Thom Mount als producer aangesteld werd, verhuisde het project naar 20th Century Fox, met een overeenkomst om de film buiten Amerika te laten verdelen door Warner Bros. Roger herschreef het scenario volledig en kreeg het hoogste budget dat hij ooit voor een film had gekregen. Er werd besloten om in Italië te filmen, vermits het daar veel goedkoper was. Eindelijk, na 20 jaar, stond Roger Corman weer achter de camera als regisseur. Zijn verhaal speelt zich af op twee tijdsniveau’s: in 2031, op het ogenblik dat Dr. Joe Buchanan (John Hurt) met een nieuw wapen voor de regering experimenteert. Hierdoor ontstaat een ‘time slip’ en Joe wordt door de tijd teruggezogen naar het Zwitserland van 1816. Hij arriveert hier juist op het moment dat boerendochter Justine Moritz (debuut van Catherine Corman, Rogers dochter) ter dood veroordeeld wordt voor de moord – met toverkracht – op de zesjarige William Frankenstein. Ze is natuurlijk onschuldig en Joe ontdekt al gauw wie de echte moordenaar is: het monster van Frankenstein (Nick Brimble). Als Joe Victor Frankenstein ontmoet (Raul Julia), tracht hij deze te waarschuwen voor de gevolgen van zijn experimenten, maar deze lacht hem weg. Joe zoekt de hulp in van Mary Wollstonecraft Godwin (de latere Mary Shelley) (Birgit Fonda), Lord Byron (Jason Patrick) en Percy Shelley (INXX-zanger Michael Hutchence), maar hij kan de executie van Justine niet verhinderen. Dan dwingt Victor Joe om hem te helpen een bruid voor het monster te maken en de gevolgen zijn desastreus. Corman keert terug naar het originele verhaal van Mary Shelley, met een monster dat kan praten en uiterst intelligent is. De film zit vol filosofische bedenkingen over leven en dood, wetenschap en hekserij, schuld en boete, vrije liefde, enz.. Uiteindelijk blijkt Joe dezelfde onverantwoordelijke wetenschapper te zijn als Victor. Ze creëren en beseffen veel te laat de gevolgen. Zoals in zovele films van Corman zijn ook de droomsequenties in Frankenstein Unbound bijzonder belangrijk. Met deze film, die destijds niet begrepen werd door de critici, bewijst Corman hoe belangrijk hij had kunnen zijn als cineast indien hij met grotere middelen had kunnen werken in de jaren 1950-70.

Frankenstein Unbound zal de laatste film blijven van de nu 80-jarige Corman als regisseur. Maar hij heeft ondertussen een oeuvre bijeengefilmd van meer dan 50 films als regisseur en bijna 400 als producer. Wie doet hem dat na?

Indien u meer wil weten over Roger Corman kunnen wij zijn autobiografie aanraden: How I Made a Hundres Movies in Hollywood and Never Lost a Dime verschenen bij Delta Books, New York in 1990. Het bevat een schat aan informatie i.v.m. het werken voor de independents in de gouden jaren 1950-60.

Willy Magiels